18 november 2015
18 november 2015,
 0

Demijnen.nl: ‘Een familiegeschiedenis tegen de achtergrond van de ‘grote’ geschiedenis: het lijkt af en toe dé succesformule voor historische boeken. Zie bijvoorbeeld Geert Mak met De eeuw van mijn vader, Judith Koelemeijer en Het zwijgen van Maria Zachea en Het pauperparadijs van Suzanna Jansen. Recent kreeg Alexander Münninghof de Libris Geschiedenis Prijs voor De stamhouder, het verhaal van zijn vader en grootvader.

Het geluk van Limburg van Buitenhof presentatrice Marcia Luyten is net iets anders.  Het gaat over een eeuw in zuidoost Limburg – de Mijnstreek – de eeuw waarin ‘Holland’ als een soort kolonisator het zwarte goud de grond uit liet halen en, toen dat niet meer nodig was, de streek in de steek liet. Het gaat ook over de geschiedenis van de familie van Jack (zeg: Sjak) Vinders, telg uit een mijnwerkersgeslacht en een Limburgse beroemdheid. Net als de auteurs van de genoemde boeken, is Luyten er in geslaagd om (niet haar eigen) familiegeschiedenis te verweven met de twintigste-eeuwse mijngeschiedenis.

Het geluk van Limburg
is klaarblijkelijk sarcastisch bedoeld. Natuurlijk, het werk honderden meters onder de grond schonk werk aan duizenden, nee tienduizenden arbeiders. Maar wat voor werk was dat? Hard, benauwd, ongezond en angstaanjagend voor wie dit niet aankon. De kompels droegen het met trots. Het waren mannetjesputters, gedrongen, geblokte figuren met passie voor de fanfare/harmonie, de duivensport en natuurlijk voetbal.  Als kleine jongen had Sjaakie ontzag voor zijn grootvader Hendrik, die op de tuba wel eens de overige muzikanten van de harmonie Sint-Barbara omver blies. In 1950 werd Limburgia landskampioen door in het Olympisch Stadion Ajax met 0-6 te verslaan.

Werk, woning, vrijetijd

De mijn, de kerk, de staat en later de vakbond bepaalden wat er gebeurde. Marcia Luyten heeft het meerdere keren over social engineering; de Zuid-Limburgse boeren moesten klaargestoomd worden voor het werk ondergronds. Het moest vanzelfsprekend zijn dat mannen mijnwerkers waren. De mijn zorgde voor alles: werk, huisvesting, sport en een kerk. Mijnwerkers werden ondergebracht in kolonies, iets waar de streek nu de naam Parkstad aan ontleend heeft. Men moest vooral niet ondernemend zijn of een eigen mening er op na houden. Het socialisme werd met vereende krachten van mijn en kerk bestreden. Later, toen dit – bijvoorbeeld door radio en televisie – niet meer realistisch was, brak dit op: de dociele mijnwerker bleek, toen de mijnen eenmaal gesloten waren, niet in staat om zelf bedrijven op te zetten en er op die manier voor de broodnodige werkgelegenheid te zorgen. De miljoenen subsidiegeld gingen naar externe bedrijven, die grotendeels, toen die kraan dicht ging, niet in staat bleken voor blijvende werkgelegenheid te zorgen. Alleen voor het bovengrondse personeel was er, door verhuizing van bijvoorbeeld het CBS en het ABP, voldoende werkgelegenheid. Een groot deel van de kompels zat toen al lang thuis; afgekeurd, ontdaan van trots en deels rochelend wegens de ‘versteende longen’ (waarvoor pas zeer laat compensatie werd gegeven).

Jack Vinders

Tegen deze achtergrond kende de familie van Jack Vinders zijn ups en downs. Zeer bepalend was de verkrachting van zijn moeder Tineke door haar stiefvader. Als moeder werd zij, wegens haar zenuwinzinkingen, een tiental keer wekenlang opgenomen in het Dr. Poelsoord (genoemd naar aalmoezenier van de arbeid en opperengineer Henricus Andreas Poels). Jack’s broer Hein, een begenadigd voetballer, verloor in één klap zijn jonge vrouw en toekomstig kind, toen hij ’s avonds thuis kwam en haar vond zoals hij haar had achtergelaten: zittend aan de keukentafel, met haar ochtendjas aan; longembolie. Hein verdronk zijn verdriet, het voetbal was afgelopen.
En dan Jack. Al jong wist hij dat hij in ieder geval ook op jongens viel. Toen dit uitkwam werd hij bijna door zijn tante vermoord. Dat ijverige jongetje, voor wie Mulo het hoogst haalbare was (wat dacht ie wel? HBS?) ging naar de kweekschool, werd onderwijzer in het speciaal onderwijs (natuurlijk een streng katholieke school; wanneer hij niets zei over zijn seksuele geaardheid, werd hem niets gevraagd), ging toneelspelen en maakte furore in Duitsland als zanger. Hij woont nog vlak bij Heilust, de wijk die destijds garandeerde dat het leven onder de grond zeker was. Tegenwoordig is Jack Vinders wereldberoemd in Limburg. Hij is zanger van het levenslied en treedt ook op als de zeer populaire Clara Zoerbier en de naïeve Sjonnie d’r Posbűl.

Voor wie op de hoogte is van de moderne literatuur over de Mijnstreek – er is (eindelijk) sprake van serieuze aandacht voor het eigen verleden – vindt weinig nieuws in dit boek. Marcia Luyten, of waarschijnlijk, haar onderzoeksassistent Ellen Langenkamp, heeft de bekende literatuur doorgevlooid. De informatie, zeker in het begin van het boek, laat zich goed terugvinden. Luyten heeft alle info knap in dit boek verwerkt.
Het eindigt in 2015. Downtown Heerlen wordt niet meer overspoeld door honderden junks. De SP is, nadat CDA en PvdA  zijn weggevaagd, hier nu de baas. Boven het spoor verrijst het door een kunstenaar ontworpen Maankwartier en voormalig rijksbouwmeester Jo Coenen werkt aan een tienjarenplan voor de regio. Er is dus hoop.’

Door Ger Jan Onrust.

Vorige
Volgende

Comments are closed.