Hoofdstuk 1 – Het geluk van Limburg

 

Wie in Heilust werd geboren, hoefde nooit meer weg. Hier aan de rand van het land, op een door Rijksweg en mijnmuur begrensd stukje Kerkrade, werd een mens geboren, gebakerd en gezekerd. Er was niets wat je nodig kon hebben wat Heilust niet kon geven. Wie zich van de kolonie wilde losmaken, moest daar heel wat voor slopen.

Jack Vinders is een kind van Heilust. De tweede zoon van Hein en Tineke Vinders kwam in 1949 vijfentwintig maanden na de eerste. (Dat kon nog net, al had het niet veel langer moeten duren.) De eerste zoon heette Hein, naar zijn vader. De tweede Jack naar Amerikaanse soldaten die Kerkrade even daarvoor hadden bevrijd van de Duitsers. Ze spraken het uit als het meer gangbare ‘Jacques’. Op zijn Limburgs: Sjaak.

De baby was bol en rond en paste van kop tot staart in een schoenendoos. In een wolk van Dettol toonde Tineke het kind aan zijn vader en oma. Zo klein als het ventje was, allebei zeiden ze dat de knul een perfect stel handen had voor onder de grond.

*

Heilust had een kloppend hart, en dat heette de Willem-Sophia. Het was de bron waaruit alles ontkiemde. Al was de steenkolenmijn aan het oog onttrokken door een Chinese muur, zij sloeg het ritme van Heilust. Geen cent kon rollen of hij was eerst onder de grond verdiend. Geen groenteboer stuurde zijn paardenkar door de wijk zonder dat de Willem-Sophia dat goed vond. Parochie, voetbalclub en fanfare waren gesticht met de instemming of het geld van de Willem-Sophia.

Op 1 maart 1919 ratelde de koets van koningin Wilhelmina en prins Hendrik over de kasseien om te zien hoe de vooruitgang werd opgetrokken. Onder de rook van een van ’s werelds modernste steenkolenmijnen groeide een ingenieus organisme, de mijnwerkerskolonie. De kolonie – met de klemtoon op de laatste lettergreep – was een wereld in zichzelf. Hier leefde men van en voor de mijn. Erbuiten keek men op de kompels neer, binnen bespotte men boeren en bourgeoisie. De kolonie scheidde eendracht, toewijding en heldendom af.

De mijnwerkers waren de hoofdrolspelers van deze moderne industrie. Die werden gekneed, gekoesterd, gekoeioneerd. Zij waren het die acht van elke 24 uur diep door doodse gangen kropen. Gewapend met militaire discipline, met de kameraadschap van mensen die hun leven van een ander afh ankelijk wisten, en die zich met een (desnoods geveinsde) minachting voor de dood lieten opsluiten in de aarde. Wie zijn demonen niet de baas was, moest boven blijven.

*

Hij was nog maar drie, toen Sjaakie de tuin door stiefelde op zoek naar zijn oma. Hij vond haar meestal in de keuken. Dan schikte ze armen en boezem rond het kind zoals een kloek zich over haar kuikens schuift. Klein als hij bleef, paste hij wel tot zijn twaalfde onder oma’s vleugels. Sjaakie groeide op in een grote familie. Tante Hanna woonde in de Romeinenstraat drie huizen verderop. Ook zij kon achterom oma’s tuin in lopen, zo diep was de boomgaard. Tante Mina woonde in een bijbouw die tegen oma’s huis was aangezet. Over de weg moest Sjaakie de hoek om naar de Kleingraverstraat en zo’n honderd meter lopen tot aan oma en tante Mina. De buurvrouw, een kleermaakster die ‘Sjniedere Fieng’ werd genoemd, was voor Sjaakie ‘tante Fina’, haar man ‘nonk’ Sjef. Melkboer Van de Boogaart van de overkant heette ‘nonk Hans’ en zijn zoon Jan was Sjaakies beste vriend. Tegen iedereen die zijn ouders kende, zei Sjaakie oom en tante. Heel Heilust was verwant, daar was geen bloedband voor nodig. De kolonie was een familie van families.


 

Hoofdstuk 6 – Absolutie

Het was niet lang daarvoor dat Sjaakie had gesnapt dat er met zijn moeder iets niet helemaal goed was. Ze gedroeg zich anders dan de moeders van vriendjes, anders dan tante Hanna of tante Mina.

Ze was niet aangekleed. In een losse ochtendjas stond ze met een bus Vim en een schuurspons in haar handen. De jongens zagen haar zelden in haar nachtkleed, nooit in ondergoed, en bloot hebben ze hun vader en moeder nooit gezien.

Elke dag voordat de jongens uit bed kwamen, had Tineke zich verzorgd; een rok en een blouse aan met daarover haar jasschort, het halflange vlasblonde haar naar achter gekamd. Nu stond ze ongewassen, met woest haar en verwilderde ogen te trillen, en maar boenen. Toen de bus schuurmiddel uit haar hand gleed en de Vim

vertraagd als poedersneeuw naar de vloer zakte, was Tineke begonnen te schreeuwen: ‘Ik ga! Ik moet weg… Ik ga naar huis!’ Op pantoffels rende ze de voordeur uit de straat op, de ochtendjas achter haar aan wapperend. Sjaakie was haar gevolgd. Zijn benen waren kort, hij rende niet snel, maar hij moest. Toen Tineke inhield, kreeg hij net de flap van de ochtendjas tussen zijn vingers. ‘Kom nou maar, mama, kom nou maar naar huis.’

Aan de overkant speelde Hein op het trapveldje, zijn bal stuiterend op zijn knie, tak, tak, tak, hoog bleef de bal, geconcentreerd, twintig keer met gemak. Sjaakie zag zijn broer lopen spelen, doodgemoedereerd – van geen probleem willen weten, en ineens wist hij dat hij, tweede zoon, een opdracht had. Hij moest voor zijn moeder zorgen. Hij moest haar helpen, voordat er ongelukken zouden gebeuren.

*

Hoe belangrijk de Limburgse kolen waren voor de opbouw van Nederland, werd breed uitgemeten in heel het land. Op 2 februari 1947 berichtte het Polygoonjournaal in de bioscopen over ‘De kolenslag in Limburg’. Twee weken nadat Tineke en Hein Gods zegen hadden gekregen, kropen de ijsbloemen langs het dakraam. Op die koude zondag gingen Limburgse mannen in plaats van naar de kerk naar de mijn. Ze haalden een extra dag kolenproductie omhoog ‘om Nederland warm te houden’.


 

Hoofdstuk 9 – Verschroeide aarde

Jarenlang hadden ze de skyline van Heerlen bepaald, de Lange Jan samen met zijn jongere en nog 20 meter hogere zuster, Lange Lies. Vanuit heel Zuid-Limburg zag je ze staan, de trotse schoorstenen van de Oranje-Nassau, allebei 12 meter breed en meer dan 5 miljoen kilo zwaar, de koeltorens aan hun voeten denigrerend tot dwergen. Wat de Eiffeltoren is voor Parijs en de dom voor Keulen, dat was de Lange Jan voor Heerlen – hij maakte naam lang voordat in 1953 Lange Lies, het nakomertje, naast hem oprees. Lange Jan was bijna 138 meter hoog. Omdat Heerlen in een dal is gebouwd – noem het de Carboonvallei, moest zijn schoorsteenpijp omhoog. Anders lag de stad alle dagen in nevel.

Samen vormden ze het landmark van de Oostelijke Mijnstreek. En ze waren meer dan dat. Lange Jan en Lange Lies waren totempalen van de voorspoed die de steenkool had gebracht. […] Toen, op 21 augustus 1976, moest de Lange Jan neer. Maar Lange Jan gaf zich niet zomaar gewonnen. Het bouwbedrijf belast met het omschieten van de schoorsteen, kreeg onenigheid met rijksinspecteurs over waar de inkepingen in de voet van de Lange Jan moesten komen. De rijksinspecteurs eisten een snee aan beide kanten. Toen het dynamiet ontplofte, wankelde de reus, om vervolgens neer te zijgen naar de verkeerde kant. Met een goed gevoel voor ironie nam hij in zijn val de hoogspanningslijnen mee en beroofde een groot deel van Heerlen van zijn stroom. Vervolgens stortte de Lange Jan zich boven op het Mijnarchief en het Bureau voor Mijnschade.

*

Nadat Sjaak was weggelopen uit het Sint-Jozefziekenhuis, hadden Tineke en Hein hun handen van hem afgetrokken. Hij was twintig, hij woonde nog thuis, maar ze zagen hem liever niet. Als hij niet door de dokters geholpen wilde worden, moest hij het zelf maar weten.

Dat is precies wat Sjaak deed. Hij ging weg, zocht zijn eigen spoor. Zijn lange blonde haar golfde op de schouders, hij droeg strakke broeken met wijde pijpen, bloesjes spanden om zijn borst. Hij was dan wel niet groot geworden, gespierd was hij des te meer, en net zo slank als zijn moeder – de overmaat aan zenuwen kwam met een kleine maag. Hij had vierkante armen bedekt met sproeten en blond dons, zeemansbonken waar jongens – net als meisjes
– graag over aaiden Sjaak had een brommer gekocht en ging nu waar hij wilde. Thuis zei niemand nog wat. Hij schuimde homokroegen af, maar kon er het geluk niet vinden. Werd hij verliefd, waren het altijd de mooiste mannen en getrouwd. Hij zocht liefde en vond in het bronstig leer het schrijnen van de eenzaamheid. Vaak eindigden zijn strooptochten diep in de avond in Bettina’s Bar op de ‘Reeperbahn’ – de bijnaam van het deel van de Akerstraat in Spekholzerheide waar de cafés zo dik gezaaid waren dat het deed denken aan de Reeperbahn in Hamburg, hart van het nachtleven en de ‘sündigste Meile der Welt’.